Centraal Museum Utrecht, catalogusnummer 5520
De negentiende eeuw is een tijd van grote veranderingen. Denk aan de komst van treinen en stoomschepen, de ontwikkeling van een moderne democratie, de opkomst van de arbeidersbeweging, om maar een paar dingen te noemen.
Ook op het gebied van merklappen vond een soort revolutie plaats.Zo veranderde het gebruik van materialen. In de loop van de eeuw werd vaker gewerkt met borduurwol op stramien, in plaats van met zijden garen op fijn linnen.
Er kwamen nieuwe kleurstoffen, waardoor de garens bonter werden. In 1856 werd mauveïne uitgevonden, een soort paars. Daarna ging het razendsnel. De ene synthetische kleur na de andere kwam op de markt, en de traditionele verfstoffen verdwenen. Al rond 1880 was er geen winst meer te maken met het verbouwen van meekrap, dat eeuwenlang gebruikt was voor allerlei tinten rood.
En vanaf het begin van de negentiende eeuw zien we kleine tafereeltjes, die realistischer zijn maar vooral heel romantisch en/of knus: herderinnetjes, hondjes op een kussen, landschapjes en veel bloemen, vooral rozen. Poesieplaatjes bijna.
Je kunt makkelijk gaan denken dat dat allemaal tegelijk kwam, en dat je ‘ouderwetse’ lappen had en ‘moderne’. Maar zo ging dat niet.
De romantische taferelen én de nieuwe materialen kwamen in omloop vanaf het begin van de eeuw, maar soms werden de nieuwe motieven in zijde op linnen geborduurd, en soms de traditionele in wol op stramien. En ook voor 1856 zien we de lappen al bonter worden. Dat komt dan door betere verftechnieken, waardoor de traditionele verfstoffen meer kleurecht werden.

Metje van Aken: bonte kleuren
Deze lap, nummer 5520 in het depot van het Centraal Museum in Utrecht, heeft traditionele motieven in de nieuwe materialen: wol op stramien. Hij is heel groot (88x85 cm), maar dat komt vooral door het grove materiaal (krap 10 draden per centimeter). In aantallen kruisjes valt het erg mee.
De lap heeft spijkergaatjes en is dus kennelijk ingelijst geweest. Toch heeft hij waarschijnlijk niet lang in het licht gehangen, want de kleuren zijn niet erg verschoten. De garens zijn hier en daar wel vergaan. Hij draagt het jaartal 1858 en is dus waarschijnlijk in dat jaar gemaakt. Daarom neem ik aan dat de garens traditioneel gekleurd zijn. Ze zijn ook wel bont, maar toch gedekter dan op sommige lappen van twintig jaar later.
Deze lap is precies een eeuw later gemaakt dan de lap met de draak: Het hert en de draak. Die is gedateerd in 1758. Het zijn allebei echte borduurlappen, zonder alfabetten. Op allebei een groot hert, niet identiek maar ze lijken wel erg op elkaar. Deze lap is gemaakt met de moderne materialen, maar de motieven zijn traditioneler dan op die uit 1758. Daar zien we de meer naturalistische bloemen en dieren van de achttiende eeuw. Hier zien we dat ook in het hert, de twee leeuwen, de grote vogel boven de linker leeuw en de haan, maar de bloemen en bomen zijn de strak gestileerde, symmetrische patronen van de zeventiende eeuw. Van de poesieplaatjes van de negentiende eeuw geen spoor.
De lap is niet symmetrisch, maar wel mooi in balans. In het middel het grote huis en daaronder de leeuwen. Links het hert en de grote vogel, rechts de haan. Daaromheen is hij helemaal vol geborduurd met grotere en kleinere motieven. Bloemen en bomen, vogels en andere dieren, een kleine jachtscene (boven de rechter leeuw), huishoudelijke voorwerpen en kleinere patroontjes met voor ons onduidelijke betekenis.
Het museum had geen informatie over de maakster van de lap. Hij is in 1927 geschonken door G.W.P. van Dokkum, een schilder die ook in de binnenstad van Utrecht woonde, maar een verband met zijn familie heb ik niet gevonden. Misschien was hij als kunstenaar geïnteresseerd en heeft hij hem daarom gekocht, of gekregen.
Uit de initialen op de lap leid ik af dat hij is gemaakt door M.v.A., dochter van P.v.A. en I.H.v.M. Ik ben via internet in de archieven gaan zoeken wie dat zou kunnen zijn. Daar vond ik Metje van Aken, dochter van Pieter van Aken en Johanna Hendrika van Mourik. Metje werd geboren in Geldermalsen op 3 januari 1842. Haar vader was bakker, en later herbergier of logementhouder. Ze trouwde op 22 maart 1870 met Klaas Klaasen, koopman en 60 jaar oud. Drie maanden later overleed hij, en op 29 april 1871 hertrouwde Metje met Jan van Bockel, landbouwer. Hun eerste drie kinderen werden geboren in Sliedrecht, de jongste in 1883 in Utrecht, waar Jan toen politieagent was. Jan en Metje zijn ook in Utrecht overleden: Jan in 1917 en Metje op 12 juni 1932.
De kans lijkt mij groot dat Metje van Aken de maakster van deze lap is. Zij was al 16 toen ze de lap maakte. Dat is ouder dan je zou verwachten. De lap zelf heeft ook iets ongewoons: een echt ouderwetse lap, maar gemaakt met de materialen van de negentiende eeuw. Dat roept vragen op. Het is bijna alsof Metje de ouderwetse lap die ze op naailes gemaakt heeft – of de ouderwetse lap van haar oma – met moderne materialen op groot formaat heeft nageborduurd. Of dat echt zo gegaan is, daar zullen we wel nooit achter komen.
Een eerdere versie van dit artikel is verschenen in MerkWaardig 121 (juni 2019).
Tekst en foto's: Nelleke Ganzevoort. Reageren? eirotsih.[antispam].@merkwaardig-borduren.nl
(foto’s gemaakt in het depot van Centraal Museum Utrecht, met dank aan de afdeling collectiebeheer en modeconservator Ninke Bloemberg)