Deze fraaie stoplap vond ik op Marktplaats. Hij is 34 x 37 cm groot en mooi gemaakt, op linnen met ruim 18 draden per centimeter. Ik ‘herkende’ hem meteen: hij is duidelijk afkomstig uit de Werk en Leerscholen in Amsterdam, waar ik al een tijdlang onderzoek naar doe. En ook fijn: hij was royaal voorzien van gegevens om de maakster mee te achterhalen. Op de lap stonden initialen met het jaartal 1849, en achterop de lijst zat een briefje.

Maria Gesina Bunschoten foto 1
Het briefje was geschreven door een eerdere eigenares. Zij schreef dat de lap eigendom was geweest van haar schoonmoeder, Cathelina (Cato) Buitenhuis-van Onselen (1895-1987). Deze Cato kan echter niet de maakster zijn, gezien het jaartal én de initialen op de lap. Verder zoeken binnen haar familie leverde niets op.
Ik moest het dus toch hebben van de initialen. Daarmee vond ik in de online archieven (www.wiewaswie.nl) uiteindelijk Maria Gesina Bunschoten. Zij was geboren op 25 september 1834 in Maarssen, een dochter van Teunis Bunschoten en Anna Alida van Someren (Soomeren, Sommeren), die op de lap staan als TB en AVS. Niet geboren in Amsterdam dus, en M.G. in plaats van G.M. Vandaar dat ze zo moeilijk te vinden was. Ik vermoed dat haar roepnaam Gesina was (of Sientje?), en dat daardoor haar naam soms geschreven werd als Gesina Maria in plaats van Maria Gesina.

Maria Gesina Bunschoten; foto 2
Dat de lap van de Werk en Leerscholen komt, staat vast. Het is te zien aan de opzet van de lap, en ook aan de cartouche met de letters AH – voor Alida Haring, de onderwijzeres van school B. Het wordt bevestigd door de archieven: in een lijst van meisjes die in mei 1849 op de school werden toegelaten vond ik ‘M.G. Bunschoten’; (rechterbladzijde, zevende van boven).
In diezelfde lijst stond overigens ‘J.M. Staats’ (linkerbladzijde, negende van onderen). De stoplap van Johanna Maria Staats wordt bewaard in het Zuiderzeemuseum. Het interessante is dat de lappen van deze twee klasgenootjes ook in de details erg op elkaar lijken. Allebei hebben ze het geborduurde landschapje en de hoorntjes van overvloed erboven. Ik vermoed dat de onderwijzeres een voorraadje papieren patronen had, die steeds opnieuw gebruikt werden. Waren ze voor de stevigheid op karton geplakt? Deelde ze ze uit of liet ze de meisjes kiezen? Had ze meer exemplaren van een patroon, zodat meisjes tegelijk aan hetzelfde landschapje konden werken? Wat zouden we dat soort details graag willen weten.
Maria Gesina trouwde op 1 augustus 1867 in Amsterdam met Johannes Matthijs Haakman, een timmerman. Ze lijkt geen kinderen gehad te hebben. Ze overleed op 3 mei 1902 op een adres aan de Hazepaterslaan in Haarlem – waarschijnlijk het Diaconessenhuis. Als woonplaats wordt vermeld Heemstede. Daar ligt waarschijnlijk de link met de familie Buitenhuis. Cato Buitenhuis is in Heemstede opgegroeid; toen Maria Gesina overleed, was zij zeven jaar oud. Misschien was haar moeder een bekende van Maria Gesina, of misschien had Cato haar eerste naailessen gekregen van Maria Gesina. In elk geval heeft Cato tot haar dood de stoplap van Maria Gesina bewaard. Haar schoondochter heeft het laatste stuk van het verhaal vastgelegd, dat wil zeggen vanaf Cato Buitenhuis. Dankzij de archieven kennen we nu ook het begin.
Auteur: Nelleke Ganzevoort
Reageren? eirotsih.[antispam].@merkwaardig-borduren.nl